(On)verantwoord wachten op jeugdzorg
Op 13 maart j.l publiceerde een aantal rekenkamers de rapportage (On)verantwoord wachten op jeugdzorg. De rekenkamers deden onderzoek naar de kwaliteit van de rapportages van de provincies en de stadsregio’s Amsterdam, Rotterdam en Haaglanden aan het Rijk over het aantal kinderen dat onverantwoord langer dan negen weken wacht op jeugdzorg. Op basis van het onderzoek concluderen de rekenkamers dat de rapportages over de wachtlijsten geen goed beeld geven van de werkelijkheid. De kritiek spitst zich toe op de wijze waarop in kaart is gebracht of kinderen en jongeren wel of niet verantwoord wachten op de start van de hulpverlening.
De probleemstelling
Tussen het Rijk en het IPO (de provincies, inclusief de drie stedelijke regio’s) is in 2009 een aantal afspraken gemaakt voor 2010 en 2011 over onder andere het terugdringen van de wachtlijsten. Daarbij werd ten opzichte van voorgaande jaren een (nieuw) onderscheid ingevoerd, namelijk tussen ‘verantwoord’ en ‘niet-verantwoord’ wachten.
Dit onderscheid werd ingevoerd om een beter zicht te krijgen op de ernst van de wachtlijst; wachten op jeugdzorg wil niet per definitie zeggen dat het gaat om een misstand, hoezeer het ook gewenst is dat de zorg direct start na een indicatiebesluit door Bureau Jeugdzorg.
De invoering van dit onderscheid gaf ook uitzicht op een meer genuanceerd kijken naar de wachtlijsten en daarmee loskomen van de voortdurende politieke commotie rond de wachtlijsten.
De Bureaus Jeugdzorg hebben het aantal ‘onverantwoord’ wachtenden vastgesteld (bij de jeugdigen die langer dan negen weken wachtten zonder overbruggingshulp) door te beoordelen of de veiligheid van het kind in het geding was. Dit vaststellen heeft op pragmatische wijze plaatsgevonden: omdat de kinderen op de wachtlijst niet opgenomen waren of moesten worden in de crisiszorg werd beoordeeld dat sprake was van verantwoord wachten.
Conclusie in rapport
De conclusie van de rekenkamers is dat de wijze van rapporteren over ‘onverantwoord’ wachten geen recht doet aan de bedoeling van deze afspraken: het getrouw in beeld brengen van het aantal kinderen dat eigenlijk niet kan wachten op de zorg, maar toch deze zorg niet ontvangt.
Wanneer de rapportages bezien worden (zie ook pagina 10 van het rapport (On)verantwoord wachten op jeugdzorg), is het verschil tussen de ‘gewone’ netto en bruto wachtlijst en die op basis van de beoordeling door Bureau Jeugdzorg (aantal jeugdigen dat onverantwoord wacht) erg groot. Het is begrijpelijk dat de rekenkamer aangeslagen zijn op dit verschil.
Volgens afspraak
Het IPO heeft namens de provincies en de drie stedelijke regio’s in het kader van wederhoor aangegeven, dat over de wijze waarop het aantal jeugdigen dat onverantwoord wacht op hulp in beeld is gebracht, overeenstemming was met het Rijk. Het doel was om vast te stellen of de provincies en drie stedelijke regio’s al dan niet de afgesproken prestatie(s) zouden halen. Een indicator daarvoor was ‘onverantwoord wachten’ in verbinding met ‘veiligheid’ en de wijze waarop dat in beeld is gebracht door de Bureaus Jeugdzorg. Andere criteria dan ‘veiligheid’ voor de beoordeling van het ‘wachten’ zijn niet gehanteerd. Ondanks de beperking die daarmee voor het bepalen van ‘onverantwoord’ wachten is toegevoegd. is veiligheid van de jeugdige wel een essentieel aspect om de mogelijke ernst van het wachten vast te stellen. Dat daarmee niet alles gezegd over het al of niet ‘te lang’ wachten van kinderen, jongeren en gezinnen is duidelijk en was ook de provincies en stedelijke regio’s duidelijk.
De situatie in Haaglanden
Het Stadsgewestelijk beleid is afgelopen jaren sterk gericht geweest op het terugbrengen van de wachttijden en het op peil brengen van de crisishulp. De extra middelen van de Rijksoverheid boden daarbij de nodige ruimte, maar vooral ook is de oplossing gezocht in versterking van samenhang en samenwerking in de jeugdzorg en verbetering van de cliëntlogistiek. Daarbij zijn ook scenarioanalyses ontwikkeld en ingezet om te komen tot overwogen beleidskeuzen op dit punt.
Het terugbrengen van de wachtlijsten is in goede samenspraak tussen Stadsgewest en instellingen tot stand gekomen. Met name Jeugdformaat heeft daar zeer hard aan getrokken door innovatie van het zorgaanbod, verkorting zorgduur, flexibilisering en vergroting van de efficiency. Tegelijkertijd is door het Stadsgewest stevig geïnvesteerd in de kwaliteit van de zorg. Het resultaat is dat in Haaglanden de wachttijden sterk teruggebracht zijn. Dat komt ook tot uitdrukking in de rapportages richting Rijk (zie p. 10 van de rapportage (On)verantwoord wachten). Afgelopen jaar is naast de ‘netto’ wachtlijst ook de ‘bruto’ wachtlijst (jeugdigen die langer dan negen weken wachten op zorg, maar wel al een vorm van jeugdzorg krijgen) tot bijna nul teruggebracht. De zorg voor jeugdigen in verband met een crisis, kon binnen 24 uur, over het algemeen binnen 12 uur, geleverd worden volgend op de crisisinterventie door het crisisteam van Bureau Jeugdzorg. Het Leger des Heils heeft in afstemming met Bureau Jeugdzorg en Jeugdformaat de verblijfstijd sterk verkort en daarmee de opnamecapaciteit vergroot.
Gelet op de landelijke afspraken en normen, maar ook wanneer gekeken wordt naar de werkelijkheid erachter gaat het in Haaglanden goed op dit punt. In 2011 (teldatum 1 september) was het criterium verantwoord/onverantwoord niet toe te passen, omdat in Haaglanden geen kinderen (zonder overbruggingszorg) langer dan negen weken wachtten op jeugdzorg.
Kinderen die zorg nodig hebben krijgen zorg
Het Stadsgewest vindt wachten op (jeugd)zorg zeer onwenselijk, maar soms niet te vermijden. In ieder geval moet ten alle tijde voorkomen worden dat kinderen die direct zorg behoeven, moeten wachten op deze zorg. De realiteit in Haaglanden is dat die zorg ook geboden wordt, al of niet met extra inzet van extra middelen. Daarnaast worden in meer algemene zin de wachttijden binnen de jeugdzorg in Haaglanden ieder jaar verder teruggebracht. De meeste jeugdigen krijgen binnen zes weken na afgifte van het indicatiebesluit de zorg die ze nodig hebben.









